Ik wist dat het maar één ding kon betekenen als Valerie naar Gunther belde terwijl we in Nepal zaten. En toch keek ik hem verwachtingsvol aan, blij om mijn zus te horen. Mijn vreugde was van korte duur.
Je bent er niet meer. Mijn bommeke. Mijn tweede moeder. Mijn steun en toeverlaat. Het klinkt zo onwaar nu, want die band die we vroeger hadden, leek de laatste jaren minder sterk. Jij werd ouder, en ik misschien ook.
En toch. Toch is er niemand die jou kan vervangen. Ik weet dat ik hoopte dat je niet meer teveel pijn moest hebben. Dat je niet meer te vaak naar het ziekenhuis moest. Dat je rustig mocht gaan als het je tijd was. Dat het misschien zelfs beter was als je ging, omdat het zo pijnlijk was je te zien aftakelen. Jij, die niet alleen je eigen kinderen opvoedde maar ook hun kinderen, als de tijd ervoor te kort schoot. Jij die de oorlog doorstond, bompa moest afgeven en een paar maanden geleden nog, je enige zoon.
Ik weet dat ik gewenst heb dat je die eerste keer had mogen gaan. Die eerste keer van zoveel keren dat je in het ziekenhuis belandde. Die eerste keer, dat ik een week lang gehuild heb. Toen iedereen, zelfs de dokter, dacht dat je laatste uur geslagen had. Die eerste keer ook van zovelen, dat je er toch weer bovenop kwam. ‘Onkruid vergaat niet’, zei ik dan met een glimlach. En je grimaste terug, ook al was dat soms van onderdrukte pijn.
En ik voelde me slecht. Omdat ik wist dat mijn wens niet alleen was om jouw lijden te stoppen. Maar ook dat van mij. Ik schaamde me voor het feit dat ik je niet wilde zien veranderen in een schim van de moedige vrouw waar ik naar opkeek en die ik zo lief had. Ik wilde liever de herinneringen aan vroeger bewaren. Je warmte, je glimlach, je goede adviezen. Hoe egoïstisch kan een mens zijn?
Ik heb gehuild, die laatste keer dat ik je in het ziekenhuis bezocht. Omdat ik wist dat de kans reëel was dat het onze laatste keer samen was. Ik zat naast je zijde zoals we jarenlang in de achterplaats deden, met mijn hoofd tegen je schouder, mijn hand op die van jou. Je bleef er tot mijn verwondering rustig onder en zei dat je je best zou doen om er te zijn als ik terug kwam. En ik geloofde je, zoals ik altijd heb gedaan. Ik heb gezegd dat ik van je hield. En daar ben ik nu blij om. Misschien heb ik zelfs, meer dan iedereen nog, afscheid van je kunnen nemen toen je nog wakker was, nét omdat ik op reis vertrok. Het is uit dat feit dat ik troost put, nu ik aan de andere kant van de wereld zit.
Ik ben daarnet naar Pashupatinath gegaan, de rituele verbrandingsplaats van Kathmandu. Ik kocht een bloemenbootje en wat wierook en had een brief voor je bij. Een brief vol bedankjes voor alles wat je voor me hebt betekend. Mijn woorden leken zo onbeduidend in vergelijking met jouw daden. De brief heb ik opnieuw gelezen en verbrand. De assen heb ik uitgestrooid over het bootje. De smeulende stokjes wierook stak ik tussen de bloemen en zo stuurde ik je zachtjes mee met de stroom. De Bagmati rivier die uitmondt in de heilige Ganges van India, ook wel ‘de rivier van het leven’ genoemd.
Het leek zo voorbestemd, dat je het water opging. Net zoals de matroos in het kinderliedje dat je altijd voor ons zong: ‘Il était un petit navire’. Nochtans was jij niet degene die aan het kortste eindje trok. Jouw strootje was immers lang, gelukkig en verzadigd. Dat je schip in vrede mag verder varen. Ik durf te wedden dat je onderweg nog een paar oude bekenden tegenkomt…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten